Voor informatie over het huren van de Hooglandse Kerk kunt u contact opnemen met de beheerders of kijken op de website van het gebouw.

De Hooglandse of St. Pancraskerk in de loop der eeuwen

Het begon heel bescheiden met een houten kapel die in 1315 in gebruik werd genomen. Rond de Burcht hadden zich mensen gevestigd. Zij wilden in de Pieterskerk ter kerke gaan, maar het gebied rond de Burcht aan de oostelijke zijde van de Nieuwe Rijn behoorde tot de Leiderdorpse parochie. De daar woonachtige gelovigen werden geacht in Leiderdorp ter kerke te gaan. Na enige kerkelijke strijd hierover gaf de bisschop in december 1314 toestemming om op het Hogeland een kapel te bouwen als onderdeel van de Leiderdorpse parochie.

Toen de bevolking aan de oostzijde van de Nieuwe Rijn na enige tijd was gegroeid werd de St. Pancraskapel tot parochiekerk verheven. In 1366 werd de kapel zelfs tot kapittelkerk verheven, wat wil zeggen dat er een college van kanunniken kwam dat de kerk ging besturen. Dat college bestond voor een deel uit priesters en voor een deel uit (gegoede) burgers.

De houten kapel was overigens geen lang leven beschoren en heeft feitelijk slechts als noodkerk dienst gedaan, want binnen een halve eeuw was de kerk verbouwd tot een stenen kerk met een heuse toren. De huidige westtoren dateert uit ongeveer 1370 en was onderdeel van de eerste stenen kerk. Nog diezelfde eeuw werd begonnen de stenen éénbeukige kerk uit te breiden met zijbeuken aan weerszijden van de bestaande beuk. Het dak van het toenmalige schip vormt nog steeds de dakconstructie van het huidige schip van de kerk.

Maar het kapittel was niet tevreden met het gebouw dat er rond 1400 stond. Groter moest de kerk worden, zoals de Pieterskerk en veel andere grote kathedraalachtige kerken. De gelovigen woonden in kleine nederige woningen. Het huis van God moest groots en indrukwekkend zijn, prachtig versierd. Zowel aanbidding van God als onderlinge naijver lagen aan de basis van de imposante en rijk gedecoreerde kerk zoals wij die nu kennen.

Nieuwe plannen werden gemaakt. De kerk zou in oostelijke richting worden uitgebreid. Eerst kwam het koor van de beoogde kerk gereed in 1478. De bouw en de financiering verliepen voorspoedig, want twaalf jaar later al was het imposante transept van de kerk klaar. Het betreft één van de grootste transepten van de Nederlandse kerkgebouwen. Door kennelijk afnemende financiën duurde het echter vrij lang voor aan de vernieuwing van het schip van de kerk kon worden begonnen. Zoals duidelijk te zien is, is die bouw helaas niet voltooid. Het schip had dezelfde hoogte moeten krijgen als het koor en het transept en de kerk had ook minstens een travee langer moeten worden. In het plaveisel van de Nieuwstraat is te zien hoe ver de kerk nog naar het westen gebouwd zou zijn. De fundamenten waren al gelegd, maar toen het geld op was, werd de bouw in 1544 vrij abrupt gestopt. Boven het houten gewelf van het middenschip zijn de aanzetten te zien van de lichtbeuk die – net als in het koor en het transept – ook in het schip nog meer licht had moeten geven.

De kerk is enigszins scheef in de omringende bebouwing gesitueerd. Dat komt door de streng toegepaste west-oost situering van de kerk. Alle middeleeuwse kathedralen zijn in de west-oostrichting gebouwd. Bij de westdeur kwam men de kerk binnen, de blik gericht op het koor van de kerk met het hoofdaltaar. Daar werd het sacrament van de genade en vergeving gedeeld. Vanuit het oosten, als verwijzing naar Jeruzalem, of explicieter naar Golgotha.

Na de Reformatie kwam de kerk in handen van de stadsregering. Die was verantwoordelijk voor het onderhoud en betaalde de traktementen van de Hervormde predikanten. Inkomsten kwamen uit de verhuur van de huisjes bij de kerk en verkoop van de graven. Voor de rijken in de kerk, voor de armen op het kerkhof rond de kerk. Geen al te grote geldstroom, waaronder het onderhoud van de kerk zeer te lijden had. In het begin van de 19e eeuw verkeerde de kerk in slechte staat. Toen de kerk ook nog eens de gevolgen ondervond van de buskruitramp stond het kerkbestuur voor de indringende vraag: slopen of restaureren. Geen eenvoudige opgave voor het kerkbestuur dat sinds 1800 het eigendom van de kerk van het stadsbestuur had gekregen. Het kerkbestuur had weinig inkomsten: de zondagse collecten en de revenuen van de begraafplaats aan de Groenesteeg.

Toch besloot het kerkbestuur om tot restauratie over te gaan. Een restauratie die tot in het begin van de 20e eeuw zou duren. Inmiddels had het kerkbestuur ook een nieuwe bron van inkomsten ontdekt. De kerk werd voor een groot deel gevuld met banken. Voor de meeste plaatsen moest per dienst betaald worden: fl 0,25 voor de beste plaatsen, fl 0,10 voor de iets mindere en fl 0,05 voor de nog mindere. De slechtste plaatsen waren gratis. Als op een zondag alle plaatsen bezet waren, dan leverde dat het voor die tijd vorstelijke bedrag van 126 gulden op! De meeste kerken waren onverwarmd. Voor wie dat kon bekostigen waren er warme stoven beschikbaar. Toen er echter brand uitbrak in het stovenhok besloot het kerkbestuur om de Hooglandse Kerk te voorzien van voetverwarming. IJzeren buizen, verwarmd met heet water.

Omdat er na de restauratie weinig of geen onderhoud aan de kerk was gepleegd, was begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw een nieuwe restauratie nodig. Met 90% overheidssubsidie (70% rijk, 10% provincie en 10% gemeente) werd in de jaren 1955 tot 1980 een grootscheepse restauratie uitgevoerd. Mede dankzij de hoge ramen in de lichtbeuken en dankzij de kleurstelling heeft de kerk met recht de titel ‘Kathedraal van het licht’ gekregen.

Toen in 1994 drie wijkkerken (Bethlehemkerk, Oude Vestkerk en Petrakerk) moesten worden afgestoten en de verenigde wijkgemeenten de Hooglandse Kerk als wijkkerk toegewezen kregen, was het wel van belang dat de kerk goed verwarmd kon worden. Kunststof gordijnen werden aangebracht die tot vandaag de dag in de wintermaanden het schip afscheiden van de rest van de kerk. Naast de bestaande infraroodstralers kwam er heteluchtverwarming waardoor een behaaglijke temperatuur bereikt kan worden. In de zogenaamde winterkerk staan de stoelen in de richting van het orgel opgesteld. Het restant van de oude herenbank – die voordien tegenover de grote kansel stond – is tussen de beide pilaren geplaatst en vormt zo de achterwand van het nieuw gecreëerde liturgisch centrum. Een gemeentelid vervaardigde in bijpassende houtsoort – afkomstig van banken uit de Bethlehemkerk – een kleine preekstoel die een geheel vormt met de voormalige herenbank.

De ruim vierhonderd stoelen zijn toereikend om de gemeente op een gewone zondag een mooie plaats te bieden in de winterkerk. Tijdens de laatste kerkrestauratie is ook het oorspronkelijk omstreeks 1565 door orgelmaker De Swart gebouwde en door Van Hagerbeer uitgebreide orgel gerestaureerd. Daarnaast kreeg een uit het voormalig Weeshuis aan de Hooglandse Kerkgracht afkomstige kabinetorgel uit de 19e eeuw een vaste plaats. Dankzij de Stichting Cathedral Organ Leiden beschikt de kerk sinds 2015 over een Engels orgel, dat in het noordertransept is opgesteld.

De kerk wordt intensief verhuurd met behulp van ruim honderd vrijwilligers. Dankzij die verhuur (opbrengst ca € 100.000- per jaar) kunnen de exploitatielasten van de kerk (€ 150.000 per jaar) door de Protestantse gemeente gedragen worden.

Bron: De kathedraal van het licht. Zeven eeuwen Hooglandse Kerk (Leiden, 2015)

Klik op de afbeelding om de presentatie van het boek te zien

Deel

Kathedraal van het licht